Over TUIG ![]() 'Een overtuigend debuut. Vanaf het eerste gedicht val je met de deur in huis: 'in een dorpje aan de kust / woont een meisje met een / losgeslagen achterhoofd.' Bij zo'n opening is de aandacht volledig getrokken, net als bij de aanvang van het tweede vers: 'ik was acht en barones / belde met een oranje / telefoontje naar god.' Deze direct toonzetting wordt vaak een gedicht lang volgehouden. In 'Heimzucht' bijvoorbeeld, of in 'Over een dood paard (en andere erge dingen). Het ergste, of het erotiek betreft of de dood, is onderwerp in Tuig - maar bij voorkeur in een laconiek kader. [...] Mijn keus mag duidelijk zijn. Tuig van Johanna Geels verdient de Buddingh'-prijs 2009.' - Arie van den Berg in NRC Handelsblad. 'Het meest verrast was ik door de gedichten van Johanna Geels (1968), afkomstig uit het slam-circuit. Qua temperament en woordspel ('kaascoman', 'momfermeisje'), hoort zij thuis in een rijtje dansante dichteressen dat de laatste jaren de horizon van de vrouwelijke dichtkunst verlegde: Elma van Haren, Anne Vegter, Astrid Lampe. Maar Geels schrijft aardser en grijpbaarder en komt ook zelf duidelijker in beeld. Wat dat betreft geeft het eerste gedicht over een zonderling, onaangepast meisje een voorproefje van wat de lezer te wachten staat: wie denkt dat zij ongelukkig is / heeft het mis / zij zingt de hele dag.' - Rob Schouten in Vrij Nederland 'Verrassend goed.' – Piet Gerbrandy over de gedichten in De Volksverheffing 2007,de Volkskrant 'In de poëzie van Geels is dus meer aan de hand dan seks of flauw woordspel: op meerdere niveaus speelt ze met de taal en is de lezer te vlug af. Wat op het slampodium te snel gaat heeft op papier nu alsnog de tijd om door te dringen.' - Hanz Mirck op KCGliteratuur.nl. 'Eindelijk een bundel puur met poëzie! (Niet te verwarren met poésie pure). En wie meer wil weten over de dichteres hoeft niet te klagen, ze geeft zich in haar bundel bloot genoeg. [...] De dichteres heeft pit. Toegegeven: ze is een tikje exhibitionistisch, maar welke dichter is dat niet? Dichten is toch ook iets van jezelf blootgeven, al is het maar een gedachte. En aan de andere kant (van de muur): moet een lezer niet een beetje door een gedicht worden verleid? Eigenlijk zoekt de dichteres via haar gedicht een gaatje bij ons. Ze charmeert en betovert ons, tot we – als een muur met betonrot – vallen voor haar poëzie. En ze kan dat veilig doen, want haar naaktheid is maar schijn: hoe naakt ze zichzelf ook beschrijft, ze gaat steeds in haar woord gekleed…' - Meandermagazine.nl 'Het is een mooie bundel geworden. Een bundel die op het eerste gezicht rustgevend op me overkomt. Geen flapteksten, geen gekokketeer, geen auteursfoto, geen auteursinformatie, gewoon de gedichten, de woorden die het werk moeten doen (In de hoop dat dit geen misdruk betreft) & daaar slaagt ze wonderwel in. Een intrigerende beeldenwereld met zeer aansprekende taalvondsten. Met hier en daar een weerhaak en dat kan deze lezer wel bekoren.' - Weblog van Jurgen Smit 'De werking van de gedichten van Johanna Geels wordt treffend geillustreerd door de afbeelding op de omslag: vishaken met kleine weerhaakjes. Thema's uit het alledaagse leven en de bijbehorende emoties komen aan bod: de vader, liefde, god, de natuur..., maar in de manier waarop ze verwoord worden, zit altijd een wending, die het vreemde, het bedreigende of het onbegrijpelijke ervan laat aanvoelen. Midden in de vreemde wereld staat het ik, dat verscheurd wordt tussen laconiek verwoorde wanhoop en grote kwetsbaarheid. Om de vismetaforiek weer op te nemen: in het titelgedicht Tuig gaat het over We, die roeiden met riemen, die leefden met de beperkte middelen waarover ze beschikten, in onbekend gebied terecht komen en daar gevangen en gekneveld worden door de beterweters met hun visserslatijn. Van wanhoop trekken ze ten slotte de haren uit elkaars kop, en vlechten er strengen van: Sommigen trokken / anderen hingen zich daaraan op. Het gedicht illustreert tegelijk de levenshouding die uit de bundel spreekt en de manier waarop Geels er (meestal) in slaagt om de dubbelzinnigheden van de taal uit te buiten.' - Juryrapport C. Buddingh'-prijs (Wim Brands, Hugo Brems, Janita Monna) |
Trouw: Expressief, vaak geestig is de poëzie van Johanna Geels
Awater: Gifkabouters vangen
Door Janita Monna
Op de valreep van 2010 verscheen de tweede bundel van Johanna Geels, Detox. De titel betekent zoveel als ‘ontgiften’, ‘reinigen’. Zoals we al wisten uit haar debuut Tuig (genomineerd voor de Buddingh’prijs 2009) neemt Geels zelden een blad voor de mond. En ook hier opent ze meteen stellig ‘Ik kom hier niet voor de gezelligheid’, het is een poëticale uitspraak in een gedicht dat ook als geëngageerd te lezen is.
Inderdaad, ‘gezellig’ is het laatste woord dat je zou gebruiken om deze bundel te typeren.
In Detox staan verzen als absurde sprookjes, zoals het titelgedicht: ‘In het grote blauwe varkensbos/vangen we gifkabouters/koud, zo koud’. Ook staan er ontroerende verzen in over een aftakelende moeder, met genadeloze regels: ‘Ik zie haar voor me op die harde keukenstoel, elke dag/strak voor zich uitkijkend, als een kip bij onweer.’
Hier is iemand aan het woord die nog altijd als jong meisje in het leven staat. Een kind dat zich niet altijd raad weet met volwassen situaties en op zoek is naar veiligheid. In poëzie wordt een thuis geschreven, een huis waarin ze werelden knipt, diepzeeën denkt, hangop maakt en vreemde teckels mee uit wandelen neemt. Maar het is geen vredige wereld die hier geschapen wordt. Er is minstens zoveel gruwel: een dochter zet het op een comazuipen en een verdwaasde man wordt de tong uitgerukt.
En als veel andere schrijvers is ook Geels geraakt door Berlijn. Geïntrigeerd door het voormalige Stasi-hoofdkwartier, schrijft ze: ‘Hoeveel afluisterapparatuur ligt nog in schachten en verwarmings-/ buizen te wachten tot nader order. Hoeveel vluchttunnels die als verlaten konijnenpijpen onder de stad liggen.’ Unheimisch, dat is Geels’poëzie vooral.
Er is een cd bij de bundel gevoegd waarop Geels enkele van haar gedichten voorleest, met muziek van Mark Beumers.
Hanz Mirck op de Contrabas:
'Thomas Vaessens gaf me eens de raadgeving over gedichten schrijven; 'maak het vreemd.' Ik vroeg me af waarom ik ingewikkeld moest doen als het eenvoudig kon.
Johanna Geels maakt ook dingen vreemd, maar in dit geval snap ik waarom. Bij haar levert mystificatie een betekenisverbreding op.'
'Op haar beste momenten vertrouwt ze op haar eigen beeldend vermogen en op haar taalbouwsels, zoals in 'Inleiding tot groot worden': 'Denk aan een berg ver weg, daar waar exoten wonen (...) of vrouwen die zonder zadel / met felgekleurde sjaals kamelen inrijden. // Zoek een steen uit op het grindpad van je ouders en stop hem in je mond. / (...) / Koop een brommer. / Kijk in de spiegel en zie de berg. (...) Laat vrouwen kamelen tot je komen. // Schud de berg van je af (...) / Verkoop dan de brommer. Dicht de scheur in je lip met de sjaals en de vrouwen. / Houd de helm.'
Op zulke moment is Geels in control, en bezweert ze welke verslaving dan ook.'
KCG Literatuur: "Laat de waanzin blijven.'
'Gelukkig blijft het rauwe aanwezig in Geels'nieuwe gedichten, een kenmerk van veel dichters die uit het slamcircuit komen. Ze laat in die gedichten zien hoe het is om je een vreemde in de wereld te voelen, schetst pogingen om met gewoontes en tics houvast te krijgen maar ook maakt ze door tekst invoelbaar hoe het is de controle te verliezen.'
'Meer dan in Tuig zijn er in Detox ook zachte gedichten te vinden, die tussen het geweld en de onmacht des te meer lijken te blinken. Zo is er vooral naar het einde toe sprake van een huis, en een moeder, een thuis.'
'Laat de waanzin en vervreemding alsjeblieft blijven want dat levert Geels de beste gedichten op.'
Meander magazine:
‘Naar het licht’ geeft voor mij de essentie van de bundel weer, waardoor ook de titel, Detox, betekenis krijgt. Het opgeven van de onschuld, van een lieve sprookjeswereld, is een pijnlijk proces, met de erbij komende ontwenningsverschijnselen.
