donderdag 28 april 2011

Het zoete nietsdoen

Uit het raam staren. Naar vogels kijken, de half afgekloven vetbollen die aan een verroeste spijker balanceren. Woeste wolkenlegers voorbij zien trekken. Niets kan mij gelukkiger maken. Het enige dat mij op zo’n moment uit mijn element kan halen is de wetenschap dat dit geluk van tijdelijke aard is. Zo meteen zal de telefoon gaan, zal ik een mail ontvangen, zal de postbezorger het pad op komen lopen die bij weer en wind een ‘Koud hè’ pet van een bekend worstenmerk draagt en het niet kan nalaten naar binnen te gluren. Ik heb geen gordijnen. Sinds ik een jaar geleden een verbouwing moest ondergaan zijn mijn ramen aan de voorzijde naakt. Eerst dacht ik er wel eens aan, maar al snel wende ik aan mijn kale voorportaal. Kon mij niet voorstellen dat het ooit anders was geweest. Dit gold voor meer zaken. Zo heb ik een jaar na de verbouwing nog steeds mijn halve keukeninhoud in de schuur staan en kook ik in pannen die ik naderhand uit het huis van mijn geliefde heb gejat. Terwijl mijn eigen pannetjes, die ik toch echt heel erg mis, een paar meter verderop in een doos staan, ik hoef er enkel heen te lopen, me over de ravage die daar binnen ligt heen te buigen en dan zullen ze na een tijdje zoeken boven water komen. Ik zie mijn blijde gezicht al voor me, de pannenset hoog in de lucht houdend. Toch, ik kom er niet toe. Iets houdt mij tegen. Iets sterks, alomtegenwoordigs, machtigs en niet weg te denken. Men zou willen dat hij een geloof had dat zo sterk aanwezig was. Een wil. Een doel. Jammer genoeg verzamelt al deze kracht zich bij mij in een verbeten uitoefening van nutteloze projecten. Die mij weg houden van mijn geliefde spulletjes in dit geval. Of loos gaan in zoiets stompzinnigs als telefoonangst.
Aan al deze vreselijke dingen denk ik nooit als ik naar buiten staar. Dan is de wereld vrij en van mij. Soms denk ik mijzelf onzichtbaar. Niet in staat om ook maar iets te doen, te moeten, te willen of te ontvangen. Zoals visite. Gruwel der gruwels. Het moment dat de bel gaat, de weg naar de deur die zo zwaar en donker lijkt. Dan het semiverraste ‘hallooooo’, de blijde glimlach op de gezichten alsof beide partijen zich geen groter geluk hadden durven dromen dan deze ontmoeting, en mijn Here weet hoe goed ik ben in die glimlach. Ik haal hem in een split second tevoorschijn, een knappe die mij dat nadoet. De armzaligen die genoodzaakt zijn met mij in één huis te moeten leven staan er vaak versteld van hoe goed ik het in gezelschap doe en zeggen naderhand dingen als, ‘Goh, je zou denken dat je compleet normaal was, als je jou zo bezig ziet met koffie, koeken en thee!’ En inderdaad, ik stijg in dat soort situaties boven mijzelf uit. Ik maak bijvoorbeeld zo voor vijftien man de beste erwtensoep klaar. Incluis appeltaarten toe. Zelfgebakken uiteraard. Ook als er extra borden moeten komen loop ik zonder blikken of blozen de schuur in, op zoek naar het benodigde keukengerei. Om dan toch de verloren pannen die me vanuit een hoekje verlangend aanstaren niet mee te nemen. God weet waarom niet, maar die houdt, zoals altijd als het er op aankomt, zijn mond. De dagen na zo’n festijn ben ik onaanspreekbaar en zit ik met een tollend hart en verkrampte spieren in mijn huispak uitgeteld op de bank te existeren.
Als ik naar buiten staar echter, weet ik weer precies hoe het zit. Ik ben namelijk stom geboren. Op het moment dat ik ter wereld kwam zweeg ik en deed dat jaren erna nog. Pas veel later ben ik gaan praten. Toen ik er echt niet meer onderuit kon en met pijn in het hart. Ik haat meedoen. Ik kan ook niks, dat scheelt. Heb alleen lagere school afgemaakt dus ben compleet ongeschikt om waar dan ook voor te worden ingezet. Mits ze iemand nodig hebben die alle dagen uit het raam staart al zou ik dat waarschijnlijk nog fout doen.
Ik kijk naar mijn kat, die vermoeid door het gras strompelt. Ik zie hoe hij zijn behoefte doet, onderwijl stompzinnig voor zich uit kijkend, wat imaginair zand naar achteren schopt terwijl hij best weet dat dit totaal geen zoden aan de dijk zet en dat zijn hoop als hij weer binnen is nog even dampend en zichtbaar in de tuin zal liggen, maar het interesseert hem niet. Daarom hebben wij altijd ruzie samen, wij lijken teveel op elkaar. Behalve dat hij regelmatig de gang onderkotst, iets waar niemand mij ooit op heeft kunnen betrappen.  Zo’n kat kan zich ongebreideld laten gaan in het dolce far niente. Die hoeft niet te koken in geleende pannen, geen schuren te trotseren, geen mosterdetiketten van glazen af te koken, geen kinderen naar clubjes te rijden... Ik hoop dan ook dat als er volgende levens met bijbehorende doorgroeimodellen bestaan dat dit leven, dit uitzitten van nutteloosheid goed genoeg is voor het hoogst bereikbare level in een volgend bestaan. Niets doen. Mediteren op een berg. Dag in dag uit. Ook niet tussendoor even naar huis voor een boterham of om te douchen. Gewoon niks. Ik hoop oprecht dat deze droom uitkomt. Aan de voorbereidingen zal het niet liggen.

0 reacties:

Een reactie plaatsen