zondag 16 januari 2011

Tjielp tjielp (over armzalig dichterschap)

Je kunt je afvragen waarom iemand dichter wil worden. Waarom men vrijwillig maanden naar een strofe wil staren die daarna net zo makkelijk in een vuilnisbak belandt. Okay, als er een gedicht ontstaat waarbij je het gevoel hebt dat het klopt, dat het rond is en op de één of andere manier iets heeft wat het doet uitstijgen boven de armzalige rest ontstaat er iets van een kleine doch hevige kortsluiting in het hoofd wat je zou kunnen omschrijven als euforie, maar dat is een zeldzaam goed. Ik zag vaker een ijsvogel, zeg maar. Is het misschien daarom dat veel dichters graag vogels spotten? De herkenning van die stille gelukzalige huivering die langs je botten trekt als je roerloos vanuit een struik in de verte de kleuren van een goudvink spot? De tijd die even stil lijkt te staan en pas weer gaat lopen als het kraken van een takje onder je schoen alle spanning als uit een flutterig feestballonnetje weg laat lopen.

Maar dit terzijde. Op een dag was ik dus blijkbaar ‘dichter’. Ik weet niet precies waar het fout ging, waarschijnlijk op dezelfde dag dat ik dat bontgekleurde bolle borstje op zijn trillers zag zwoegen in de zon. Zo’n dapper vogeltje. Och en ach en wee. Misschien wou ik dat vogeltje wel zijn. Hoog in de boom op een tak ongevraagd mijn versjes de wereld insmijten. Geen hond die er op zit te wachten, behalve die ene zonderling die verborgen in de struiken je stilletjes met zijn verrekijker beloert, but who cares. Het is veilig daarboven en de vos krijgt je zelden te pakken.

Tot vandaag. Een dag waarin ik de vogel was en een willekeurige boekhandel ergens in het land de boom. In mijn haar mijn eeuwige bloem (kan iemand mij verlossen van dat kreng) en in mijn hand een serie trillers. Er was een voorstelling aangekondigd. Die voorstelling was ik. Op het tijdstip dat de voorstelling zou moeten beginnen was er nog niemand in de boekhandel. Er kwamen wel twee mensen langs die de weg vroegen naar de dichtstbijzijnde fourniturenwinkel voor een rits. Dat ik, twee meter bij hun vandaan al het materiaal bij me had dat nodig was voor het aan elkaar ritsen van alles wat los zat drong waarschijnlijk niet tot ze door.
Het was stil in de kleine boekhandel. De eigenaren stonden ietwat bezorgd naar mij te kijken. Ik knikte bemoedigend. Het gaf niks. Ik had voor hetere vuren gestaan. Had boven op biljarten over koffiemachines uit moeten schreeuwen, in bussen om zeven uur ’s morgens liefdesgedichten moeten voordragen terwijl iedereen met zijn chagrijnige kop naar buiten staarde. Om maar wat te noemen. Een lange tijd van stilte trad in. Soms praatten wij wat, maar dan vaak tegelijkertijd wat raar was zodat we geschrokken stil hielden. Ik opperde buiten te gaan staan, onder het mom van Mohammed en de berg enzo, maar de regen kletterde op het smalle afdakje van de boekwinkel die mij en mijn trillers nooit zou kunnen beschermen. Bloem en ik begonnen het vertrouwde brede bladerdak van ons bos te missen, veertig kilometer verderop. Twee mensen kwamen in de uitverkoophoek rommelen, ik stond vlakbij en kostte niets, begon dapper en licht onzeker aan een triller maar misschien telde dat niet want al probeerden ze even te luisteren, ze herkenden de taal niet en dropen met gebogen ruggen af.

Bloem en ik bleven lachen, dat doen wij altijd goed. Eenmaal buiten wilde bloem in het dichtstbijzijnde etablissement stevig aan de jenever maar dat kon ik verijdelen. Was hij nou helemaal gek. Zo losten wij die dingen niet op. Hoe dan wel wist ik ook even niet. Tot wij eenmaal thuis in het bos de hoogste boom op zochten en de longen uit ons lijf zongen. Hier en daar bewoog een struik. Het kraken van een takje deed ons opvliegen naar een andere boom waar de voorstelling werd herhaald. We begrepen inmiddels niet meer zo goed waarom we elke keer weer die weg naar beneden wilden maken. We zaten hier toch best? We spraken met onszelf af voor de rest van ons leven in het hoogste bladerdak te blijven wonen. Daar was het goed toeven. Tjielp.

0 reacties:

Een reactie plaatsen