Immer gerade aus. Vanuit onze woonplaats rij je zo de snelweg op waarna je na een uur of vijf in een rechte lijn doorkachelen uiteindelijk vanzelf de Fernsehturm ziet opdoemen. Zo hebben wij het graag, Man en ik, wars van ingewikkeldheden als wij zijn. Wij gingen naar Berlijn omdat daar sinds ons eerste bezoek in 2008 een deel van ons hart ligt. Ze zwerven er sindsdien gezamenlijk door de hobbelige straatjes van Prenzlauerberg, eten avonden achtereen in het Indiase restaurantje in de Oderbergerstrasse of struinen er door de lege Plattenbau waar ze hongerig de geur van oude kalk en DDR steen opsnuiven. Wij proberen ze zo vaak mogelijk te bezoeken. Anders krijgen wij beiden heimwee.Ditmaal hadden wij echter nog een ander doel. We zouden mijn net uitgekomen bundel Detox langs gaan brengen in Kreuzberg, om precies te zijn bij de slijter wier etalage werd gebruikt voor de omslag van de bundel. Wat hem overigens onbekend was. Hij wist niet dat wij vorig jaar door de Oraniënstrasse slenterden, Man en ik, waar wij plotseling stilhielden bij zijn etalage waarin een verzameling prachtige oude drankflessen op een verhoging stond met daarvoor als aanvoerder van het wankele veeltal, een manshoge Maria, in al haar hemelsblauwe glorie. En ik houd van Maria. In de spiegelende ruit reflecteerde ook nog eens de typisch Berlijnse gevel die aan de overkant uit de stoep groeide en wij aarzelden geen moment. Dit zou een geweldige omslag opleveren voor Detox. Ontgiften in extremo, met Maria als hoedster van de schoonheid en de troost.
Een jaar later werd de bundel feestelijk onthaald en zouden wij hem naar zijn oorsprong terugbrengen. Naar de drankhandel in Kreuzberg en de vrouw in de etalage die als taak had, dat wist ik zeker, de duivel die in al die flessen sluimerde te beteugelen.
Ik had er veel van verwacht. Man minder, die is beter in die dingen. We stapten dapper naar binnen, bundel onder de arm. De slijter wist niet wat hij er van moest denken en leek zelfs een beetje bangig toen wij hem de bundel plechtig wilden overhandigden. Of het echt gewoon een cadeautje was? Ja. Of er niets aan vastzat? Nee. En wat was dat dan allemaal? Ach, hij wilde het eigenlijk niet eens weten en keek verward om zich heen, alsof hij iets zocht waar hij zich even aan kon vastklampen. Iets vertrouwds. Ik duwde hem de bundel vriendelijk doch beslist in handen. Nu moest ie wel. Hij sprak langzaam de titel uit: D-E-T-O-X. Weer die angstige blik. Werd ie belazerd? Misschien wilde hij het in de etalage zetten, opperden wij, dan konden we er een foto van maken. Voor later. Blij dat ie tenminste een duidelijke opdracht kreeg ipv dit vage gedoe deed hij dat en maakten wij een foto. Zo. En nu moest hij weer aan het werk.
Ik vroeg mij af hoe lang die bundel in de etalage van de Oraniënstrasse zou blijven staan. Aan de voeten van die grote verstofte Maria.
Ik was er inmiddels een beetje stuurs van geworden, van zoveel ongezelligheid, vluchtte een koffiehuis in en staarde minstens een half uur ontredderd uit het raam terwijl Man mij tig keer “Héé, du Ollie!” noemde onderwijl in mijn zij porrend en zo raar verhaspelt Duits pratend dat iedereen ons met open mond aanstaarde. Rare Hollanders. Na een half uur had hij eindelijk succes en proestte ik mijn halve koffie over het typisch Berlijnse interieur heen. Honecker keek vanaf de muur aan de overkant ernstig toe hoe de stoel onder hem langzaam bruin kleurde. Eenmaal buiten staarde ik in de stromende regen nog een hele tijd autistisch in een afvoerput. Waarom had ik geen gave voor een normaal leven, waarom deed ik mijzelf dit aan en meer van dat soort dramatische nuilgedachten stroomden samen met die regen de put in. Ik voelde mij een sukkel in tegenstelling tot de Man die zei het een prachtige dag te vinden. Hij is dan ook beter in die dingen.

0 reacties:
Een reactie plaatsen