Mau,
waar ben je nou. Ik sta op je te wachten, we hadden afgesproken, toch? Mau?
Mau
is nergens te bekennen en dat is niets voor haar. Mau wil alles goed doen,
zelfs over slapen denkt ze na. Het juiste kussen op het juiste matras, ze heeft
zoiets als ‘nacht-make-up’, vraag me niet waarom. Mau heeft drie wekkers op haar
nachtkastje staan opdat er niets mis kan gaan en kamt de haren van haar
hoogpolige vloerkleed na het stofzuigen één kant op. Mau heeft een ondergronds
zenuwcentrum waar zij alle bewegingen van mens en dier in de gaten houdt, daar
in no time grafieken en percentages van
maakt zodat zij is Voorbereid. Dat laatste is niet waar,
maar het zou kunnen. Want zo is Mau. Een neuroot, een gemankeerde geest,
waarvoor een onverwachte kleinigheid genoeg kan zijn voor een massaslachting en
opname in het Pieter Baan Centrum. Ik kijk naar de zon, Mau is een half uur te
laat. Hoor ik al sirenes? Zit ze ergens achter in een auto, met verwarde blik,
meegenomen door een geheime dienst die al een half jaar wist van de kelder en
haar in de gaten hield, in weer een kelder onder Mau’s kelder? Ik voel een
enorme woede opkomen. Als iedereen maar wat gaat doen is het einde zoek. Mau
moet gewoon Mau zijn. Met die irritante parelketting, die flauwe jurkjes in
pasteltinten, de Fiat Uno, die ze zelden zonder schokken en hikken in één keer een
bocht door krijgt.
Dan
zie ik Mau. Ze zit in een hoekje en huilt. Haar blonde haar dobbert met elke
snik om haar hoofd alsof het een eend is en haar hoofd de vijver. Een vijver van
verdriet. Ik zou haar kunnen schoppen maar doe het niet. Misschien is Mau
verdwaalt. Is ze haar familie kwijtgeraakt aan een gruwelijke
vulkaanuitbarsting ergens aan de andere kant van de wereld. Ik zie voor me hoe
ze de berg afdrijven in de kolkende lavastroom, hier en daar steekt een arm of
been uit. Of misschien zijn ze van Mau weggelopen toen ze even niet keek. In de
supermarkt of aan zee. Dat ze haar vergeten zijn.
‘Hey, heb jij Mau gezien?’
‘Nee, ik dacht
dat ze bij jou was.’
‘Nee, hier is ze
niet.’
‘Nou, hier ook
niet.’
En nu zit Mau in
haar hoekje en huilt. Dagen, nachten, weken, maanden. Haar ogen zijn er helemaal
bol van gaan staan, puilen als sponsen uit haar hoofd. Er hangen druppels aan.
Ze lekt. Ik zou haar door elkaar willen schudden maar dan gaat ze alleen maar
harder huilen.
Als ik het zat ben zet ik het op een rennen, net zolang en hard
tot Mau mij niet meer in kan halen. Toch duikt ze na een tijdje altijd weer op
en kijkt mij vanuit haar hoekje met dikke ogen smekend aan.
Soms denk ik, ik
noem haar onomatopee, en huil als ik haar roep.