dinsdag 15 mei 2012

Waterpas

(Voor M)

In het grote lichte huis dat stil boven de stad zweeft,
geluiden van zich af laat glijden van winkelende vrouwen
gillende kinderen, carillons.

In dat huis waar jij samen met de grote zonnekamers
wacht op geluiden die voor jou zijn gemaakt
(ze liggen al klaar, hoor maar), vond ik onverwacht:

In een kast, het doorgezaagde plafond, in een gitaarhals,
een koffiemok, in de kabouter bij de voordeur die
de weg wees:

Het opgesloten meisje met een paar waterblauwe ogen
in haar hand.

Ik wist niet dat ze nog een stem had.
Pas maar, zingt ze zachtjes, wie past.

dinsdag 8 mei 2012

Zeevaarders


We kenden de sterke verhalen, de
uitgesleten wonderen in steen.

We streelden de rotsen en keken terug
op een verdronken leven.

Gooiden een kiezel in zee, en nog één,
noemden het een daad, wat overdreven was.

We aten zeefruit in een etablissement met
slagroom en een parasolletje. Later, in de
grootste schelp van de wereld stak je die
in mijn haar.

Terwijl wij buitengaats dreven vroeg je mij
voor het leven. Natuurlijk zei ik ja.

maandag 7 mei 2012

Je wettoch

Mun siel, mun saligheid , je wettoch, mun donder, mun guts.
Je guts?
Nee, guts.
Ja, dat zeg ik, guts.

Je bedoelt je tribe.
Traip?
Nee tribe, je wet wel, waar je fandáán komt. Ensoh.

Ik kom uit west.
Nou dan, ja toch.
Verder manga?
     
Alles manga, gast.
Plassa.
Seker plassa.

Okay, ik ga je pingen, man.
Coolio.
Wat?
Coolio.

Da ken eg niet man, wat je dar ségt.
Wie segt dat.
Iederéén, mongo.
Wie is iedereen.
Nou g’woon, iedereen.
Coolio is de plassa van morgen en de manga van gister, man,
wet jij wat daar woont?

Eh, je traip?
Nee man, je komp toch uit súid?
Nee, west.
Nou dan, ik bedoel je siel, je saligheid, gast.
Oh, die.

We watseppen.
Ja, man.
Skonti, man.
Skonti skan?
Ja man, je wettoch.


vrijdag 27 april 2012

Meet Estelle

Meet Estelle Reed. Danseres. Zij woont sinds twee dagen in mijn boekenkast. Ze leunt er fabelachtig nonchalant tegen de rug van Eco aan. Het kan haast niet anders of de witte anjers op tafel zijn daar door de fotograaf neergelegd. Ze horen bij het beeld, niet bij de vrouw. Estelle heeft niks met bloemen. Ze zijn maar zo kort mooi. Haar handen en haren omlijsten haar gezicht, houden haar gedachten, haar dromen bij elkaar. Als ze loslaat springen ze als duveltjes uit een doosje allemaal een andere kant op. Valt haar gezicht in pixels uiteen. Estelle is van niemand. De fotograaf mag dan een stukje van haar leven hebben gevangen, een seconde na de klik staat ze waarschijnlijk alweer bij de deur. Een vluchtige zwaai en roetsj daar gaat ze, de stad, de kroeg, het leven in. Voor 1 euro kocht ik een nanoseconde Estelle. Die nanoseconde vertelt mij alles over wat ik op dit moment moet weten. Over authenticiteit. Over trouw blijven aan jezelf, dat soort geouwehoer. Het gekke is, als ik 's avonds naar bed ga, leg ik mijn rode haarbloem voor haar foto. Ze mag gewoon niet alleen de nacht in, niet in zwart-wit. Terwijl ik weet, het hoort bij het beeld, niet bij de vrouw.



donderdag 12 april 2012

1974


Toen ik nog vissen voor
mijn verjaardag kreeg.

Zeker wist dat blinde kuikens
konden zien.

De Kalejoekie zong met alle
sloopkinderen van de straat.

Moeders rok gezegend werd
door de grote handen van.

Hoe lang een Chinees was.


dinsdag 10 april 2012

Mau


Mau, waar ben je nou. Ik sta op je te wachten, we hadden afgesproken, toch? Mau? 
      Mau is nergens te bekennen en dat is niets voor haar. Mau wil alles goed doen, zelfs over slapen denkt ze na. Het juiste kussen op het juiste matras, ze heeft zoiets als ‘nacht-make-up’, vraag me niet waarom. Mau heeft drie wekkers op haar nachtkastje staan opdat er niets mis kan gaan en kamt de haren van haar hoogpolige vloerkleed na het stofzuigen één kant op. Mau heeft een ondergronds zenuwcentrum waar zij alle bewegingen van mens en dier in de gaten houdt, daar in no time grafieken en percentages van maakt zodat zij is Voorbereid. Dat laatste is niet waar, maar het zou kunnen. Want zo is Mau. Een neuroot, een gemankeerde geest, waarvoor een onverwachte kleinigheid genoeg kan zijn voor een massaslachting en opname in het Pieter Baan Centrum. Ik kijk naar de zon, Mau is een half uur te laat. Hoor ik al sirenes? Zit ze ergens achter in een auto, met verwarde blik, meegenomen door een geheime dienst die al een half jaar wist van de kelder en haar in de gaten hield, in weer een kelder onder Mau’s kelder? Ik voel een enorme woede opkomen. Als iedereen maar wat gaat doen is het einde zoek. Mau moet gewoon Mau zijn. Met die irritante parelketting, die flauwe jurkjes in pasteltinten, de Fiat Uno, die ze zelden zonder schokken en hikken in één keer een bocht door krijgt.
      Dan zie ik Mau. Ze zit in een hoekje en huilt. Haar blonde haar dobbert met elke snik om haar hoofd alsof het een eend is en haar hoofd de vijver. Een vijver van verdriet. Ik zou haar kunnen schoppen maar doe het niet. Misschien is Mau verdwaalt. Is ze haar familie kwijtgeraakt aan een gruwelijke vulkaanuitbarsting ergens aan de andere kant van de wereld. Ik zie voor me hoe ze de berg afdrijven in de kolkende lavastroom, hier en daar steekt een arm of been uit. Of misschien zijn ze van Mau weggelopen toen ze even niet keek. In de supermarkt of aan zee. Dat ze haar vergeten zijn.
      ‘Hey, heb jij Mau gezien?’
      ‘Nee, ik dacht dat ze bij jou was.’
      ‘Nee, hier is ze niet.’
      ‘Nou, hier ook niet.’
      
En nu zit Mau in haar hoekje en huilt. Dagen, nachten, weken, maanden. Haar ogen zijn er helemaal bol van gaan staan, puilen als sponsen uit haar hoofd. Er hangen druppels aan. Ze lekt. Ik zou haar door elkaar willen schudden maar dan gaat ze alleen maar harder huilen. 
      Als ik het zat ben zet ik het op een rennen, net zolang en hard tot Mau mij niet meer in kan halen. Toch duikt ze na een tijdje altijd weer op en kijkt mij vanuit haar hoekje met dikke ogen smekend aan.
      Soms denk ik, ik noem haar onomatopee, en huil als ik haar roep.


vrijdag 13 januari 2012

Wildwuchs

Wo soll ich mich selber lassen wenn meine
Fingerkuppen Wuchergewächs austreiben.
Tagsüber stutze ich es aber nachts kriecht
es über meine Matratze die Wände hinauf
und haftet sich an die ausgelesene Decke.


Hier wartet es auf erlösende Worte.
Spreche sie aus. Kornelkirsche. Zöllner. Sägezahnmaul.
Salomonssiegel. Augapfel. Und irgendwo in dieser willkürlichen
Folge spüre ich sie nachgeben, bewegen, ziehen
die Klauen sich ruckartig in meine Finger zurück.


Lass die Hunde los und gebe mir eine Kaninchenpfote
für unterwegs mit. Dann drücke ich meine
Kippe an der Stelle aus an der ich sie fand. Segne
mit gekreuzten Fingern den erschöpften Boden. Entsage
den Nächten. Dort wird nichts mehr wachsen.

(vertaald door Janet Blanken, org titel: Wildgroei, uit Tuig, 2008)